Fritjof Dudok van Heel

Helper, Soldaat van Oranje
VoornaamFritjof
AchternaamDudok van Heel
Geboren19 april 1918 in Semarang
Overleden29 juli 1943 in Leusderheide
OnderscheidingenVerzetsherdenkingskruis
Fritjof Dudok van Heel (1918-1943)

Zijn jonge jaren brengt Fritjof Dudok van Heel (23) door in voormalig Nederlands-Indië. In Semarang, waar hij op 19 april 1918 is geboren, bezoekt hij de lagere school, maar de HBS doorloopt hij in Nederland nadat hij zich daar in de jaren dertig met zijn familie heeft gevestigd. Hij kiest voor een loopbaan bij het leger en bereikt er de rang van kornet van de cavalerie.

Als Duitse troepen in mei 1940 de Nederlandse grens overschrijden, is Fritjof vastbesloten hen te verdrijven. In het peloton waarover hij het commando voert, vecht hij in de Betuwe en omgeving verbeten van zich af. Maar ze zijn niet opgewassen tegen de vijandelijke oorlogsmachine. Na vier dagen van felle strijd moeten zij de wapens neerleggen.

Dudok van Heel weigert dit te accepteren. Hij vertrouwt erop dat de bezetters binnen afzienbare tijd zullen worden teruggedrongen en doet er alles aan om hieraan zijn bijdrage te leveren. Wanneer er een verzetsgroep wordt opgericht die tot doel heeft om, zodra de Duitsers zijn verslagen, het machtsvacuüm dat dan ontstaat op te vullen om zo chaos tegen te gaan, sluit hij zich daarbij aan. Al snel is hij een van de belangrijkste figuren binnen deze Ordedienst; hij vervult koeriersdiensten en onderhoudt de contacten tussen de diverse gebieden waar de groep actief is.

Eind 1941 wordt Fritjofs hulp ingeroepen als de geheime landingen die in het holst van de nacht op het Scheveningse strand plaatsvinden op een fiasco dreigen uit te lopen. Bedoeling is dat de eerder naar Engeland ontvluchte Erik Hazelhoff Roelfzema en Chris Krediet op vaste tijden met een oorlogsschip naar bezet Nederland terugkeren om daar geheime agenten aan land te zetten en seintoestellen af te leveren. Ook moeten zij verzetsmensen ophalen die koningin Wilhelmina in Londen graag bij zich wil hebben. Maar bij de golfbreker aan de noordzijde van de boulevard, waar men elkaar hoopt te treffen, wordt tevergeefs op de mannen gewacht. Hun boot weet de badplaats niet te bereiken of andere tegenvallers leiden ertoe dat de acties mislukken.

Bij het verzet rijzen er twijfels of het piertje, waar met Erik en Chris is afgesproken, wel het juiste is. Besloten wordt om ook bij de golfbrekers even ten zuiden en ten noorden van deze plek te gaan posten. Hiervoor zijn durfallen nodig die er niet voor terugdeinzen om onder het oog van de Duitse marine, die dichtbij haar hoofdkwartieren heeft, het strand op te gaan. Samen met de OD-ers Chris Navis, Cornelis Knulst en Johan de Jonge Melly, is Fritjof Dudok van Heel bereid deze uiterst gevaarlijke klus te klaren. Enige keren worden de verschillende piertjes inderdaad door hen bemand; tenslotte wordt het risico, dat ze in de gaten lopen, te groot gevonden en wordt gekozen voor een andere aanpak.

Dudok van Heel is er dan ook niet bij als het in de nacht van 17 op 18 januari 1942 faliekant misgaat. Opnieuw verschijnt het uit Engeland afkomstige oorlogsschip niet op de afgesproken plek. Terwijl geheim agent Peter Tazelaar met zijn compagnon Gerard Dogger wadend door de ijskoude zee weet te ontkomen, worden hun makkers, die in een vooroorlogs bunkertje onder de boulevard tegen de vrieskou schuilen, door een Duitse patrouille ingerekend. In de nasleep van deze arrestatie valt de ene na de andere OD’er in vijandelijke handen.

Zelf blijft Dudok van Heel nog geruime tijd op vrije voeten. Wel moet hij onderduiken; als door een mirakel wordt hij, wanneer de SD de woning binnenvalt waar hij zich verborgen houdt, niet gevonden. Maar tenslotte valt het doek ook voor hem. Op 14 juli 1942 wordt hij alsnog opgepakt en in het ‘Oranjehotel’ te Scheveningen gevangen gezet. Eenzame opsluiting en een reeks loodzware verhoren worden zijn deel. Hij mag niet luchten, schone kleding krijgt hij niet, dagenlang wordt hem voedsel onthouden. Tegen het einde van het jaar wordt hij overgeplaatst naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, waar hij getuige is van gruweldaden tegen Joodse gevangenen. Daarna wordt hij gedeporteerd naar kamp Vught, later naar kamp Haaren en de Kriegswehrmachtsgefängnis in Utrecht.

Wonder boven wonder blijft hij contact met zijn dierbaren houden. Op ingenieuze wijze weet hij aan hen gerichte briefjes uit de kampen te smokkelen. Deze schrijft hij op vloeipapiertjes waarmee je sigaretten rolt en die hij in de zoom van zijn pyjama weet te verstoppen. Vrouwen die de was doen en buiten de gevangenis werken, halen de piepkleine briefjes weer uit zijn pyjamajasje en zorgen dat ze bij zijn verloofde terechtkomen. Zijn laatste regels schrijft hij kort nadat hij met 17 andere opgepakte OD’ers ter dood is veroordeeld. In deze bewaard gebleven brief neemt hij op ontroerende wijze afscheid van degenen van wie hij houdt.

Samen met zijn kameraden, onder wie Johan de Jonge Melly, wordt hij op 29 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd. Zijn meerdere, Johan Schimmelpenninck (‘Oom Alexander’), die een tijdlang de leiding over de Ordedienst heeft gehad en eveneens is opgepakt, heeft de nazi’s speciaal gevraagd of hij bij Fritjof mag staan als de salvo’s zullen weerklinken; hij beschouwt hem als een van zijn trouwste medewerkers en wil tussen hem en twee anderen de dood tegemoet treden. Na de oorlog wordt meteen begonnen met de zoektocht naar de verdwenen slachtoffers. Niemand weet waar zij, toegedekt door het mulle zand, zijn begraven. De hulp van de Duitsers is nodig om deze plaatsen terug te vinden, waarna de slachtoffers - na geïdentificeerd te zijn - met eerbied naar hun laatste rustplaats worden gebracht. Zelf wordt Fritjof Dudok van Heel bijgezet in het graf van zijn eerder overleden vader op de Oude Gemeentelijke begraafplaats te Naarden.