Soms nog maar 15/16 jaar
Verreweg de meeste Engelandvaarders zijn bij hun poging om Engeland te bereiken, in de bloei van hun leven: ze zijn veelal tussen de 20 en 30 jaar oud. Er zijn ook Engelandvaarders die beduidend ouder zijn. De oudste is, voor zover bekend, Victor Rutgers, oud-minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in het eerste kabinet-Colijn (1924-1925), die op het moment dat hij naar Engeland vertrekt 66 jaar is.
Opvallend is het aantal zeer jonge Engelandvaarders dat zelfstandig naar Engeland vertrekt. Meer dan twintig hebben bij hun vertrek nog maar de leeftijd van 15/16 jaar bereikt.
Een van hen is Jantje Roest uit Vlaardingen. Hij is pas 15 jaar en vier maanden oud als hij als afhouder meegenomen wordt aan boord van een vissersboot, die op 29 augustus 1942 uit IJmuiden vertrekt. Het schip is een spionagelogger, waarop een marconist meegaat die voor de Duitsers werkt. Jacob de Mos, die ook aan boord is, zorgt er met andere opvarenden voor dat het schip op zee gekaapt wordt. Jantje houdt daarbij een matroos die de kaping probeert te voorkomen, in bedwang door te dreigen hem met een hamer op zijn hoofd te slaan. Alle kapers krijgen na aankomst in Engeland een onderscheiding, behalve Jantje, die te jong wordt gevonden.
De jongste Engelandvaarder is Emile Boudeling uit Goes. Hij is nog geen 15 jaar als hij in april 1941 op de fiets naar België vlucht met de bedoeling naar Engeland te reizen. Met andere Engelandvaarders trekt hij via Zwitserland en Frankrijk naar Noord-Afrika, waar hij in het Vreemdelingenlegioen meevecht. Na enkele maanden krijgt hij tuberculose. Hij overlijdt hieraan op 12 september 1943 in een ziekenhuis in Algerije. Hij is pas 17 jaar.
